Moord of doodslag zonder lijk? Het Hof van Assisen beslist.

05-05-2026

Het lijkt op het eerste gezicht ondenkbaar: iemand veroordelen voor moord of doodslag zonder dat er ooit een lichaam werd gevonden. Toch is dit in België juridisch perfect mogelijk, en het is ook al in de praktijk voorgekomen voor het Hof van Assisen.

In het Belgische strafrecht bestaat geen regel die vereist dat het lichaam van het slachtoffer – het zogenaamde corpus delicti – moet worden teruggevonden om tot een veroordeling te komen. Wat wél noodzakelijk is, is dat er wettig en overtuigend bewijs voorligt dat het slachtoffer overleden is én dat dit overlijden het gevolg is van een opzettelijke daad van de beschuldigde. Dat bewijs hoeft niet rechtstreeks te zijn. Integendeel, in veel van deze zaken steunt de vervolging grotendeels op onrechtstreekse of circumstantiële elementen.

In de praktijk gaat het vaak om een combinatie van aanwijzingen: DNA- of bloedsporen, digitale gegevens zoals gsm-locaties en berichtenverkeer, getuigenverklaringen en het gedrag van de verdachte zelf. Denk bijvoorbeeld aan het wissen van sporen, het afleggen van tegenstrijdige verklaringen of het vertonen van opvallend gedrag na de verdwijning van het slachtoffer. Elk van deze elementen afzonderlijk volstaat meestal niet, maar samen kunnen ze een sluitend geheel vormen dat geen redelijke twijfel meer overlaat.

Een belangrijke rol is daarbij weggelegd voor de volksjury in het Hof van Assisen. Die jury oordeelt vrij over de bewijsmiddelen en is niet gebonden door een strikte hiërarchie of minimumvereisten. Dat betekent dat een veroordeling kan steunen op een samenhangend geheel van aanwijzingen, zolang dat geheel de jury overtuigt van de schuld van de beschuldigde. In zaken zonder lichaam wordt daarom vaak een uitgebreide keten van indicaties opgebouwd, waarbij men stap voor stap alternatieve verklaringen – zoals een vrijwillige verdwijning – probeert uit te sluiten.

Het ontbreken van een lichaam maakt dergelijke dossiers uiteraard complexer. Zonder stoffelijk overschot is het moeilijker om het overlijden met absolute zekerheid vast te stellen, de doodsoorzaak te bepalen of het tijdstip van overlijden nauwkeurig te reconstrueren. Precies daarom wordt in deze zaken bijzonder veel aandacht besteed aan de consistentie van het bewijs en de logische samenhang tussen de verschillende elementen in het dossier. Ook het gedrag van de verdachte vóór en na de feiten wordt vaak grondig geanalyseerd.

Hoewel het ontbreken van een lichaam de bewijsvoering bemoeilijkt, vormt het dus geen juridisch obstakel voor een veroordeling in België. Doorslaggevend blijft de vraag of de rechter of de jury, op basis van het volledige dossier, overtuigd is dat er een misdrijf heeft plaatsgevonden en dat de beschuldigde daarvoor verantwoordelijk is.

Voor de praktijk van het Hof van Assisen betekent dit dat de strijd in deze dossiers vaak draait om het zorgvuldig opbouwen – of net ondergraven – van een sluitende keten van aanwijzingen. Zeker wanneer het meest tastbare bewijs ontbreekt, wordt de kwaliteit van die bewijsvoering cruciaal.


Share